Een ziekelijk verlangen

Mijn ouders zijn op mijn twaalfde gescheiden en sindsdien leefden mijn twee broertjes en ik bij mijn moeder in een rijtjeshuis in Zwolle. Ons huis was in die tijd een ontmoetingsplaats voor pubers die elkaar kenden van padvinderij. Als jongste binnen de groep deed ik krampachtig mijn best om door de groep opgenomen te worden. Ik had mijn status louter te danken aan ons ouderlijk huis dat als jongerencentrum fungeerde.

Op de bewuste oudejaarsnacht van 1980 zat ons huis vol en ik wierp me op als ober en voorzag de feestende meute van wijn en bier. In het aanrechtkastje had ik een fles jonge jenever ontdekt en ik prees mij gelukkig dat we niet in het bezit waren van een open keuken, zodat ik elke keer als ik naar de keuken moest de mond kon spoelen met een slokje pure jenever. Al gauw was ik in een net zo jolige stemming als onze gasten, maar dat gevoel sloeg al snel om in lamlendigheid, zodat ik genoodzaakt was vroegtijdig mijn bed op te zoeken. Aangekomen op mijn kamer heb ik mijn bed niet eens gehaald en ben voortijdig op de grond in elkaar gezakt.
De rest van de nacht heb ik kotsend en huilend op de vloer van mijn slaapkamer doorgebracht. De volgende ochtend was ik als eerste op en heb de sporen van de in mijn dronkenschap veroorzaakte puinhoop uitgewist. Een nadere inspectie van het aanrechtkastje wees uit dat ik die nacht in twee uur tijd driekwart liter jenever naar binnen had gewerkt. Vreemd genoeg had ik behoudens een licht gevoel in het hoofd, wat niet onprettig aanvoelde, geen kater of andere ziekteverschijnselen, zodat de doorwaakte nacht snel vergeten was.

Tot de dag van vandaag vraag ik mij af of iemand ooit gemerkt heeft hoe ver ik die oudejaarsnacht heen was, omdat er nooit over gesproken is. Gezien de ervaring van mijn eerste echte dronkenschap zou je verwachten dat ik een afkeer van alcohol zou ontwikkelen, maar het omgekeerde was het geval. Vanaf die dag hebben koning alcohol en ik een geheim verbond gesloten en een langdurige haat-liefde- verhouding is tot stand gekomen.

 

Ziekmakend alcoholgebruik

Een volgend geval van ziekmakend alcoholgebruik vond plaats in het najaar van 1980. Mijn moeder was een weekend weg en had besloten dat ik met mijn vijftien jaar oud genoeg was om een weekend alleen thuis te blijven, samen met een zeventienjarig oogverblindend kennisje die dat weekend zou komen logeren.
Als fantasierijke puber had ik al dagen lopen dagdromen hoe ons weekend zou verlopen. De werkelijkheid zag er toch iets anders uit.

De vrijdagavond verliep vrij rustig, zij het niet geheel op de wijze die ik mij voorgesteld had. Hoewel ik toen al dagelijks dronk was van buitensporig drankgebruik die avond geen sprake.
De opvolgende zaterdagavond hadden we een feest van een gemeenschappelijke vriend. Alvorens ons naar het huis van het feestvarken te begeven moest ik het kennisje, mijn ”oppas,” eerst beloven niet teveel alcohol tot mij te nemen.

Joviaal als ik was beloofde ik het rustig aan te doen en ze keek me dankbaar en opgelucht aan. Op het feest was ik wederom de jongste feestganger. Ik zat aan tafel bij een vriend waar ik tegenop keek – omdat hij al in de examenklas van de scheepvaartschool zat. Piet, zoals hij heette, was gelukkig ook niet vies van alcohol en gezellig keuvelend over onze gemeenschappelijke toekomst in de zeevaart gleden de eerste

 

goudgele rakkers naar binnen. Rond een uur of tien kwam een fles berenburg op tafel en vervingen we onze bierflesjes voor borrelglaasjes. Gezien mijn vorige ervaring met sterke drank had ik er beter aan gedaan mij niet aan de berenburg over te geven, maar ik dacht: wat Piet kan, kan ik ook. Het kennisje wierp mij ondertussen af en toe een bezorgde blik toe, hetgeen ik interpreteerde als een blik van bewondering, zodat wij het tempo waarmee de glaasjes gevuld en geledigd werden nog wat opvoerden.

Hoe de rest van de avond verlopen is heb ik voornamelijk van horen zeggen. Naar het schijnt ben ik al pratend van mijn stoel gedonderd. Vervolgens hebben twee mensen me naar de keuken gesleept waar ze me volgoten met koffie. Omdat ik te bezopen was om te slikken was dat geen succes en liep de koffie langs mijn mondhoeken de kleren in. Dezelfde mensen hebben me daarna een uur lang door de frisse buitenlucht gezeuld, maar er trad geen verandering op in mijn gesteldheid, zodat ze besloten mij naar huis te brengen.

 

Nooit meer drinken

Binnen dat jaar diende het derde akkefietje zich aan. Ik had de magische grens van zestien bereikt en kon het nodige bier verstouwen. In mijn vrije tijd was ik werkzaam op een bungalowpark, alwaar ik een groot gedeelte van mijn verdiende geld in de camping-kantine weer uitgaf. Na een dag van noeste arbeid kon ik met en vriend meerijden naar een verjaardagsfeestje van een collega. Het merendeel van de gasten bestond uit jongeren rond de twintig. Omdat ik ondanks mijn leeftijd inmiddels uitgegroeid was tot een eigenwijs en recalcitrant mannetje, besloot een oudere collega mij een lesje te leren en stelde voor een soort wedstrijdje te houden wie het meeste op kon.

Toen een fles kruidenbitter tevoorschijn kwam had bij mij een lichtje moeten gaan branden. In plaats van beleefd te weigeren stortte ik mij vol overgave op de berenburg. Het gevolg laat zich raden, want binnen het uur zat ik in de auto en werd ik thuis afgeleverd. De rest van de nacht heb ik in een innige omhelzing met de closetpot doorgebracht. Anders dan de andere keren was ik er de volgende dag zeer slecht aan toe en nam me voor nooit meer te drinken. Helaas heeft deze belofte niet lang stand gehouden, want reeds dezelfde avond was ik voldoende hersteld om een eerste pilsje tot mij te nemen.

(…)

Onbewust hebben deze drie voorvallen toch indruk gemaakt en heb ik mijn grenzen leren kennen. Want in de rest van mijn alcoholisten-bestaan is het nog zelden tot zulke uitspattingen gekomen. Wat verder nog restte was een ziekelijk verlangen.

Jan